Geluid & Gehoor

Geluid ontstaat wanneer lucht in trilling komt. Door het trillen van de lucht ontstaan golven van op en neer bewegende luchtdeeltjes. Hoe groter die bewegingen (dus hoe hoger de golven) hoe harder het geluid. De geluidssterkte wordt uitgedrukt in decibels (dB).

Het aantal golven per seconde bepaalt de toonhoogte. Hoe meer golven, hoe hoger de toon. De hoogte wordt uitgedrukt in Hertz (Hz). Onder de 16 en boven de 20.000 Hz horen mensen niets. Met het verstrijken der jaren wordt de bovengrens wat lager; oudere mensen kunnen minder goed hoge tonen horen. Het oor is gevoeliger voor hoge tonen dan voor lage tonen.

Om aan te geven wat de sterkte-indruk (de luidheid) van geluid is, zoals het menselijk gehoor het waarneemt, is de eenheid dB(A) ingevoerd. De toegevoegde A wil zeggen dat de sterkte van het geluid gecorrigeerd is voor de gevoeligheid van het oor bij verschillende frequenties. De gehoorgrens ligt bij 0, de pijngrens bij 140 dB(A).
Decibels mogen niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld omdat de decibel een logaritmische eenheid is. Als de radio 80 dB(A) produceert en een machine 90 dB(A), dan is de totale geluidssterkte niet 170 dB(A) maar 90,4 dB(A). De radio is dan nog net hoorbaar.